Fanny's Salon Programma Toelichting

De hechte en intense relatie tussen Felix Mendelssohn en zijn zuster Fanny Hensel is lange tijd onderwerp van academisch onderzoek en discussie geweest. Het is echter aanwijsbaar het geval dat zij voornamelijk gezien wordt in relatie tot haar broer dan als de historisch significante kunstenaar en componist die zij zelf was. Ze was een zeer bekwame pianiste en componeerde een geschat aantal van 450 werken, waarvan het merendeel kleinere Lieder en korte pianostukken, die dateren van voor haar huwelijk.

 

Terwijl Felix Mendelssohn’s zes strijkkwartetten worden beschouwd als belangrijke werken binnen het canon van zijn repertoire, is Fanny Hensel’s kwartet nog steeds relatief onbekend en werd postuum gepubliceerd in 1988. Er is weinig bekend over de exacte compositie en niets in de archieven wijst erop of het ooit goed is uitgevoerd behalve misschien een “try out” gedurende haar leven. Ondanks de ongelijkheid tussen Fanny en Felix zijn individuele roem, deelden ze een buitengewone en hechte relatie, waaraan gedeelde muzikale interesse en compositie ten grondslag lagen. Dit programma streeft ernaar deze relatie te verkennen en zowel haar Strijk Kwartet in Es majeur (1834) en Felix Mendelssohn’s Strijk Kwartet in F mineur, Op. 80 (1847)  in context te plaatsen, maar door Fanny’s eigen ogen en in haar eigen woorden. Beide kwartetten worden afgewisseld door dramatische lezingen van haar brieven aan Felix en haar notities in haar dagboek en door dit te doen wordt Fanny Hensel met nadruk voor het voetlicht geplaatst.

 

De volle omvang van de brieven waaruit U de passages zult horen omvat 26 jaar, van 1821 tot 1847 – van wanneer zij de jonge leeftijd van 16 had en Felix 12 was, totdat ze 41 is en een getrouwde vrouw en moeder is, terwijl Felix nu ook getrouwd is met de dochter van een Franse geestelijk, Cecile, en een gevestigde en succesvol componist is geworden. De ware omvang en diepte van deze brieven onthullen de steeds veranderende aard en nuances van Fanny en Felix’s relatie. De manier waarop zij hem als tiener aansprak legt een diepgaande moederlijke houding tegenover hem aan de dag, bij voorbeeld door hem “beste zoon” te noemen; dit veranderde naarmate zij beiden ouder werden en de emotionele leeftijdskloof kleiner werd en naarmate zij de nieuwe rollen en verschillende verwachtingen aanvaardden die de gegoede burgerij in die tijd voor hen in petto had.

 

In hun brieven bespreken ze familie, het leven, reizen en cultuur, maar ook muzikale ideeën en meningsverschillen. Er zijn verscheidene belangrijke terugkerende thema’s; ten eerste, Fanny’s gebrek aan zelfvertrouwen en haar behoefte aan haar broers steun en goedkeuring komen vaak tot uiting in haar beschrijving van hem als haar muzikale ogen en oren en zijn leidende kracht in haar eigen composities. Vaak vraagt ze om zijn mening over haar composities en andere muzikale zaken, maar ze is ook snel bereid om Felix’ eigen werk te bekritiseren, ook op zijn verzoek. Misschien is het feit dat ze – als een vrouw van haar sociale klasse – beperkt werd om zich vrijelijk in de publieke omgang te begeven, wat op zijn beurt betekende dat Felix haar enige ware bron van muzikale validatie en steun was en nog belangrijker, haar belangrijkste verbinding met de professionele muzikale wereld. De maatschappelijke beperkingen en zusterlijke verwachtingen waarmee zij als vrouw belast werd waren bij haar van jongs af aan verankerd en al in juli 1820 schreef haar vader Abraham haar :

 

“Muziek zal wellicht voor hem (Felix) zijn vak worden, terwijl voor jou het slechts een sieraad kan en moet zijn, nooit het wezen van je bestaan en handelen…….. en juist jouw vreugde over de lof die hij oogst bewijst dat jij, in zijn plaats, soortgelijke lof zou verdienen.”

 

En 8 jaar later, gaat hij verder :

 

“je moet je ernstiger en met groter verlangen voorbereiden op je ware roeping, de enige roeping voor een jonge vrouw – ik bedoel die van een huisvrouw.”

 

Een ander belangrijk thema in Fanny’s brieven zijn haar muzieksalons, haar Sonntagsmusiken of “zondagsmuziekbijeenkomsten”, die ze belegde na haar huwelijk met de schilder Wilhelm Hensel in 1829 en die min of meer een voortzetting waren van de zondagmorgensalons gegeven ten huize van haar ouders in de vroegere jaren 1820. Met de steun van haar echtgenoot, werd dit haar eigen plek om op te treden en haar composities te presenteren. Voor goed opgeleide vrouwen in de 19e eeuw was toegang tot de politieke, economische en sociale instituten van deze tijd ernstig beperkt. Een privé-salon in huiselijke sfeer was derhalve een kans voor vrouwen om muziek, politiek, kunst en literatuur te bespreken en op die manier enigszins te ontsnappen aan de beperkingen van hun rollen als huishoudster, echtgenote en moeder. Fanny’s Sonntagsmusiken waren duidelijk van enorm belang voor haar en overheersten veel brieven aan Felix uit deze latere periode in haar leven.

 

Misschien is de steeds terugkerende familiediscussie die het meest is genoemd door musicologen en geleerden, de overwegingen of Fanny wel of niet haar composities moest publiceren. Het vraagstuk van publicatie wordt het eerst genoemd in haar brieven aan Felix in 1836. Het is duidelijk uit wat ze schrijft dat , net als haar vader, haar broer over het algemeen tegen het idee is en het is ook opmerkelijk dat zij het niet meer over publicatie heeft tot na haar vaders dood in 1835. Desalniettemin, laat zij een lied, Die Schiffende, publiceren in een Schlesinger album, laat 1836. Felix stuurt zijn felicitaties met het succes en  genoegen over het feit dat ze tegen zijn zin dit werk heeft gepubliceerd. Fanny publiceert  verder geen enkel ander werk gedurende de volgende tien jaar, maar het is evenwel duidelijk dat de opvattingen van Felix zeer belangrijk zijn voor haar en dat , ondanks zijn felicitaties, die niet wezenlijk veranderd zijn.

Het is belangrijk om de volledige context te vermelden voor wat betreft Felix’ terughoudendheid aangaande Fanny’s publicaties. In een brief aan zijn moeder van 2 juni 1837 schreef hij :

“Ik hoop…… dat ik hoef niet te zeggen, dat als zij besluit om iets te publiceren, ik alles in mijn macht zal doen om alle voorzieningen voor haar te treffen en haar te ontlasten, voor zover ik bij machte ben, van alle zorg die haar mogelijk bespaard kan blijven. Maar haar overtuigen om te publiceren kan ik niet, omdat dit tegen mijn zienswijze en opvattingen is …… Ik beschouw  de publicatie van een werk als een serieuze zaak (tenminste dat hoort het te zijn) en ik stel, dat niemand zou moeten publiceren tenzij vastbesloten om voor de rest van zijn leven als auteur op te treden ………. Men kan alleen maar ergernis verwachten van publicatie als er sprake is van een of twee werken…….. en zoals ik Fanny ken zou ik zeggen dat ze geen voorkeur heeft noch de roeping voor het auteurschap. Zij is veel meer dan een vrouw hiervoor hoort te zijn. Ze regelt haar huishouden en denkt niet aan het publiek en ook niet aan de muzikale wereld, zelfs geheel niet aan muziek, tot dat haar eerste taken vervuld zijn. Publicatie zou haar alleen maar hinderen in deze en ik kan niet zeggen dat ik dat goedkeur……..  Als ze besluit om te publiceren, hetzij uit eigen overweging of om Hensel een plezier te doen, ben ik, zoals ik eerder zei, volledig bereid om haar bij te staan in zoverre ik in staat ben, maar om haar aan te moedigen om iets te doen wat ik als onjuist beschouw, dat is iets wat ik niet kan doen.”

Zoals eerder vermeld, zijn de redenen om haar niet te overreden of aan te moedigen de gangbare sociale verwachtingen en eisen die aan haar als vrouw gesteld waren. Het is echter ook relevant, dat op dat moment in haar leven zij geen passend geachte portfolio had met grotere werken om te publiceren en dit kan een factor zijn geweest in zijn overwegingen. Zijn onwil kan zeker zijn voort gekomen uit een wens om haar te beschermen tegen de critici. Fanny zelf blijft lange tijd twijfelen. Wanneer ze uiteindelijk bijna tien jaar later besluit te publiceren, keert ze niet terug naar haar vroegere werken gecomponeerd van voor 1840 en in plaats daarvan concentreert ze zich op recentere composities. Bovendien is het belangrijk om te vermelden dat wanneer ze eenmaal het besluit genomen heeft om omvangrijk te publiceren, Felix haar steunde en uiteindelijk haar de zegen gaf die zij zo duidelijk verlangde.

Al met al is het duidelijk dat zij een unieke relatie hadden in een tijd waarin vrouwen werden beperkt in simpelweg te doen wat ze wilden; hun sterke affectie voor elkaar blijkt duidelijk uit de koosnaampjes en intieme uitwisselingen die overal in deze brieven voorkomen en door haar om compositorisch advies te vragen behandeld Felix haar als zijn muzikale gelijke en verschaft haar in zekere mate toegang tot zijn professionele leven. Zijn ontreddering door haar vroegtijdige dood in 1847 komt tot uiting in zijn Op. 80 Kwartet, dat zo duidelijk staat voor de rauwe pijn en het verdriet dat hij voelde. In een brief aan hun zuster Rebecka (Beckchen) schreef hij :

“God helpe ons allen – (…) Helaas, lieve zuster, Ik kan niets schrijven of denken dan aan Fanny. Dat zal nooit veranderen zo lang wij op deze aarde zijn.”

Zijn Op.80 werd slechts twee maanden voor zijn eigen dood voltooid tijdens een herstelverblijf in Zwitserland in de zomer van 1847 en bleek het laatste werk te zijn dat hij ooit zou hebben afgemaakt. En dus was  – misschien passend – zijn laatste werk een muzikale hommage aan Fanny Hensel, een dierbare zuster en krachtige muzikale invloed op zijn eigen leven, maar ook zelf een opmerkelijke vrouw en kunstenares.

 

Translation by Jan Niemeijer, © Behn Quartet